Historie

Op initiatief van C.J.M. van Poppel van de bierbrouwerij Cambrinus kwamen ’s avonds op 30 januari 1953 veertien industriëlen en burgemeester J.P. Godwaldt in Het Witte Paard bijeen teneinde te komen tot de oprichting van een club van industriëlen. Als één van de doelen zag men de mogelijkheid om op bepaalde tijden met elkaar van gedachten te wisselen over diverse problemen verbonden met het leiden van een bedrijf in Etten-Leur. Al eerder waren er plannen in die richting geweest, zonder dat iemand echter het voortouw had genomen. Men ging nu zeer voortvarend te werk en staande de vergadering werd een bestuur gekozen. Voorzitter werd P. Zuijdwijk van het confectie-atelier De Drie Torens, secretaris werd A. Van Mierlo van de N.V. Ettensche Steenfabriek en penningmeester werd W.J. Raaymakers van de bakkerijgrondstoffenfabriek Stabiel. Besloten werd ook de eerste en derde dinsdag van de maand bijeen te komen. Met algemene stemmen werd de burgemeester tot erevoorzitter benoemd, die deze benoeming ook accepteerde.

Tijdens de bijeenkomst van 3 maart werd voor de periode van 29 jaar de vereniging Industriëlen Club Etten-Leur officieel opgericht. Als tijdstip van oprichting werd gekozen voor 1 januari 1953. Het doel van de vereniging was de behartiging van de gemeenschappelijke belangen op economisch en sociaal gebied van de bij de vereniging aangesloten ondernemingen van handel en nijverheid. Dit trachtte men te bereiken door het voeren van onderlinge gesprekken, het houden van geregeld contact met de leden, het voorstaan van de belangen bij de overheid en andere officiële en particuliere lichamen en alle andere wettige middelen. Als lid konden toetreden degenen die, alleen of met anderen, leiders waren van een onderneming van nijverheid en handel, ongeacht het aantal werknemers in vaste dienst en waarvan de ledenvergadering toetreding had goedgekeurd. In de vergaderingen had elke onderneming één stem. In een huishoudelijk reglement werden de bevoegdheden van het verenigingsbestuur, de bestuursleden en leden van de vergadering geregeld. De vergaderfrequentie werd teruggebracht tot eenmaal per maand en wel op de eerste dinsdag.

Tijdens de vergaderingen kwamen allerlei zaken aan de orde. Naast de normale huishoudelijke beslommeringen van een vereniging werd bij tijd en wijle een deskundige uitgenodigd voor een lezing of voordracht over een bepaald facet van de bedrijfsvoering. In 1955 werd de mogelijkheid van een gemeenschappelijke bedrijfsgeneeskundige dienst bestudeerd. Verder kwamen in de loop van de tijd met betrekking tot het industrieterrein Etten I het uitblijven van het spoorwegraccordement, de vestiging van een halte van de BBA en de bewaking van het terrein aan de orde. In de jaren zestig werd met enige regelmaat gesproken over het gemeentelijk beleid ten aanzien van straat- en rioolbelasting, de woningbouw te Etten-Leur, een gezamenlijk loonbeleid en dergelijke.

De komst van Tomado en Jyden Lijstenfabriek in 1954 zorgde voor onrust op de toch al overspannen arbeidsmarkt. Door het bieden van hogere lonen dan gebruikelijk werd bij bestaande industrieën personeel weggekocht. Op een gegeven ogenblik wensten 26 meisjes Superieur te verlaten. Na overleg tussen de betrokken directies ging deze overstap niet door. Deze voorvallen gaven aanleiding van enkele leden om de invoering van een ‘Gentlemen-Agreement’ te bepleiten. Tijdens een spoedvergadering op 14 december 1954 werd een concept besproken en een definitieve versie voor de periode van één jaar met ingang van 1 februari 1955 vastgesteld. Na verloop van de termijn werd de overeenkomst tot wederopzeggens verlengd. In het document werden enkele regels opgesteld hoe gehandeld moest worden bij de overname van elkaars personeel. Iedere directie diende het stuk te ondertekenen als me er mee akkoord ging. Het vinden van voldoende arbeidskrachten was ook het volgende jaar regelmatig onderwerp van gesprek.

De Industriëlen Club en via haar de afzonderlijke bedrijven steunt nog steeds het culturele en maatschappelijke leven in Etten-Leur. Vanaf de oprichting van de Nobelaer wordt door ondernemingen jaarlijks financieel bijgedragen in de exploitatie van het complex. Ook aan het carillon in de gemeentetoren bij gelegenheid van de heropening van het vergrote gemeentehuis in 1964 droegen de leden van de club hun steentje bij. Vijf klokken kregen een randschrift met daarin de naam van het bedrijf dat het daarvoor benodigde geld had geschonken. Ter verfraaiing van het in 1979 opnieuw vergrote gemeentehuis schonk de Industriëlen Club een raammozaïek. Bij de vernieuwing van de Nobelaer in 1991 werd de aanleg van een zogenaamde ringleiding mogelijk gemaakt.

Naast de behandeling van bovenstaande zwaarwegende onderwerpen had de vereniging ook een gezelligheidselement. Dit komt naar voren in de uitstapjes die met enige regelmaat gemaakt werden (hoewel hierbij het zakelijke aspect niet uit het oog verloren werd) en in de jaarvergadering, die met een diner werd afgesloten. Bij wijze van proef werden voor de jaarvergadering in januari 1955 ook de dames van de leden uitgenodigd. Hiervan werd een traditie gemaakt.

Gebrek aan agendapunten, drukke werkzaamheden op de bedrijven en andere redenen waren er de oorzaak van dat tegen het einde van de jaren vijftig het aantal leden dat op de vergaderingen verscheen steeds minder werd. Om deze neergaande lijn te keren werd een wijziging in de vergadermethode ingevoerd. Naast de avondbijeenkomsten die in aantal werden verminderd kwamen er in de loop van 1960 ook lunchbijeenkomsten.

In 1987 vond een wijziging van de verenigingsstatuten plaats. Daarbij werd de naam gewijzigd in Industriële Kring Etten-Leur en de tijd waarvoor de vereniging was opgericht op onbepaald gesteld. Het doel van de vereniging werd opnieuw geformuleerd, maar bleef inhoudelijk ongewijzigd. Leden kunnen voortaan zijn industriële bedrijven, dan wel bedrijven gericht op de industrie, zijnde natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen, gevestigd in de gemeente Etten-Leur of in een gebied grenzend aan de gemeente en met een minimum aantal werknemers van tien.